15 januari 2021

De Omgevingswet en RES: de netcongestie en toegenomen warmtevraag

De Omgevingswet en RES: de netcongestie en toegenomen warmtevraag

Met het ondertekenen van het klimaatakkoord van Parijs in 2015 staan we aan de voorgrond van misschien wel de grootste uitdaging uit de recente historie. Op nationale schaal betekent dit dat we het gebruik van conventionele energie moeten afbouwen, en duurzame energie de toekomst heeft. Zodoende moet worden voldaan aan de gemaakte afspraken vanuit het Klimaatakkoord, met het doel om in 2030 een CO2-vermindering van 49 procent te bewerkstelligen.

Stapsgewijs werken we toe naar 2050, de stip aan de horizon waarin we energieneutraal moeten acteren. Deze opgave vergt grote investeringen en inspanningen vanuit de overheid, het bedrijfsleven, maar ook de burgers. Maar in welke mate is het huidige elektriciteitsnet in staat om deze omslag te faciliteren? En hoe zorgen we ervoor dat de benodigde investeringen van de grond komen om in de toekomstige warmtevraag te voorzien?

In het begin van de maand oktober hebben de dertig energieregio’s binnen Nederland hun concept regionale energie strategieën (RES) aangeleverd. Dit document geeft inzage in de wijze waarop de regio’s, en betrokken stakeholders, hun ambities m.b.t. duurzame elektriciteit op land (zon, wind, en infrastructuur) tot 2030 willen verwezenlijken. De verwachte warmte en elektriciteitsvraag maken hier een belangrijk deel van uit. Verdeeld over de dertig energieregio’s moet in 2030 35 terawattuur (TWh) aan elektriciteit worden opgewekt. Logischerwijs zal het huidige elektriciteitsnet moeten worden verzwaard om de opgewekte elektriciteit te kunnen terug leveren aan het net. Netbeheerders hebben voor bijna alle energieregio’s netimpactanalyses uitgevoerd. Hieruit komt naar voren dat de capaciteit van twee derde van de hoge- en middenspanning stations waarschijnlijk te laag is. Meer dan 100 stations moeten worden uitgebreid, en er zijn minimaal 60 nieuwe stations nodig. Een doorberekening richting 2030 laat zien er jaarlijks enkele honderden miljoenen euro’s benodigd zijn om aan de klimaatdoelstellingen te voldoen. Duidelijk is dus dat er niet alleen aan de productiekant sprake is van een omvangrijke opgave, maar dat ook de benodigde infrastructuur (nog) niet in voldoende mate aanwezig is. Naast de toename in de elektriciteitsvraag, staat Nederland voor de grote opgave om de warmtevoorziening in de bebouwde omgeving op een ‘groene’ wijze vorm te geven. Het kabinet ziet collectieve warmtenetten als het beste alternatief voor de traditionele CV ketel. De warmtewet 2.0 is hierom in het leven geroepen om warmtenetten beter te reguleren, te verduurzamen, en uitbreidingen te stimuleren. Met de komst van de Omgevingswet bestaat ook de mogelijkheid om mogelijk invulling te geven aan verschillende programma’s, en hier juridische kaders voor te scheppen. Op deze manier bestaat de mogelijkheid om een brug te slaan tussen beleid en besluitvorming over activiteiten. Vanuit het klimaatakkoord is het streven om de gebruiker voor 50% eigenaar te maken van nieuwe energiebedrijven. Gebruikers zullen dan ook eigen vermogen moeten inbrengen om warmtenetten te kunnen reguleren en uitbreiden. Overheid, investeerder en producent zijn allen actoren die hierbij samen hun krachten moeten bundelen. Dit roept enkele vragen op: Hoe ziet de samenstelling eruit van de energiebedrijven van de toekomst? Hoe moet dit programma precies worden verankerd binnen de Omgevingswet? Daarnaast is het ook van belang dat inzichtelijk wordt gemaakt welke investeringen zijn vereist, en welk rendement investeerders kunnen verwachten. Kortom: de ambities op nationaal en regionaal niveau zijn helder, en deze worden eens te meer onderschreven binnen de RES. Echter bestaan er de nodige onduidelijkheden aan de uitvoeringskant, waardoor het op dit moment lastig is om de verschillende stakeholders aan elkaar te kunnen verbinden.